dinsdag 23 januari 2018

Bot gesprek...

Nachtdienst met oud en nieuw. Vaak heb je de keuze om, of met kerst, of met oud en nieuw te werken. Mijn voorkeur gaat uit om vrij te zijn met de kerstdagen en daarom heb ik aangegeven de nachtdienst met de jaarwisseling te willen werken. Voor de ambulancedienst is dit ongeveer de drukste nacht van het jaar. Je stelt je er op in en de sfeer heeft ook wel iets. Weliswaar is het qua drukte meegevallen deze keer. Weinig vuurwerk gerelateerde meldingen. Maar toch komen ze voor en niet altijd heeft het met illegaal vuurwerk te maken. Blijkbaar kan het met toegestane vuurwerkprojectielen ook fout gaan. We zijn onderweg naar een melding waar het klaarblijkelijk fout gegaan is. We worden net na 12 uur opgevangen in een smal straatje door de politie. Deze neemt ons lopend mee en al snel zien we een ravage. Ruiten kapot, glas op straat en verschillende beduusde gezichten. We moeten binnen zijn. Daar staat er een onder de douche, de ander heeft bloed in zijn gezicht. Ik vraag wat er gebeurd is. Wat blijkt, deze mensen wilden gezellig de jaarwisseling vieren. Hadden volkomen legaal vuurwerk gekocht. Op een gegeven moment een stuk aangestoken waar een stuk of 12 pijlen uit zouden moeten komen. Echter na de 3e pijl ging het mis en klapte de hele doos in een keer uit elkaar. Met als gevolg dat er bij diverse woningen complete ruiten uitgeblazen werden. De mensen die er bij stonden (gelukkig lichte) verwondingen opgelopen hebben. Uiteindelijk hoefde niet een van deze personen mee naar het ziekenhuis, maar het is een minder leuk begin van het nieuwe jaar. Dat het heel goed afgelopen is blijkt wel uit het volgende. Omdat het hard waaide, hadden deze mensen uit voorzorg een emmer zand op de straat gezet zodat het vuurwerk niet om zou waaien. Echter, door de explosie is deze complete emmer bij de buren op de bovenverdieping beland. Dit had nog veel erger mis kunnen gaan.
Verder is de nieuwjaarsnacht rustig verlopen op wat kleine incidenten na. Uiteraard iemand die te veel gedronken heeft, maar dat is geen bijzonderheid.
Nachtdiensten zijn sowieso druk. Er wordt de laatste tijd nogal wat geschreven en gesproken over de werkdruk op de ambulance. Wat mij hier het meeste aan raakt is het feit dat collega`s hierdoor in een verkeerde belichting worden gezet. Zo kopt een landelijk dagblad dat ambulance een dame van 91 jaar 5 uur laat wachten. Ik ken mijn collega`s en ik ben er van overtuigd dat er niet 1 is die een patiënt bewust zo lang laat wachten. Dit geld ook voor de mensen op de meldkamer. Echter is er een schreeuwend te kort aan ambulanceverpleegkundigen. De sluiting van ziekenhuizen en de drukte daarbinnen zorgen ervoor dat de tijden van de ambulance steeds langer worden. Een 91 jarige vrouw die 5 uur moet wachten op een ambulance is geen incident. Dit gebeurt structureel. 5 uur is lang, maar het dubbele komt ook voor. Is het onwil van mijn soort? Nee zeker niet. We zijn de hele nacht aan het rijden en dan blijven minder urgente ritten liggen. Vind ik het netjes? Nee dat zeker niet. Ik schaam me, als ik een patiënt na zo lang wachten moet ophalen. Kan ik er wat aan doen? Nee, maar ik bied wel mijn excuses aan. Ik ben er mee eens dat dit niet kan. Het is een samenloop van oorzaken. Een heel grote oorzaak is ook de zelfredzaamheid van de mensen. Waarom bel de 112 midden in de nacht als je al 3 dagen buikpijn heb? Waarom is diezelfde patiënt geagiteerd als ik hem vertel dat hij de andere dag naar zijn huisarts moet? Als feedback vanuit de ziekenhuizen krijg ik wel eens te horen dat er zoveel `niet dringende` patiënten binnen komen. Dan zeg ik wel eens: weet je hoeveel patiënten ik nog niet eens mee neem naar het ziekenhuis.
Het werk is geweldig. De vrijheid, omgang met mensen etc. Ik wil niet anders. Je komt overal. Ik ben niet amicaal, maar als er een vrouwtje van 80 is die je als het ware om de nek vliegt omdat ze zo blij is met je hulp, dan doet dat wat. Ik hou van mijn werk. Ondanks alle strubbelingen en misstanden.
Ik kom om 4 uur op zondag morgen bij een patiënt die aardig dicht bij de 100 zit qua leeftijd. Deze mijnheer die midden in de nacht uit Amsterdam is komen rijden, naar Den Haag wilde, maar op Rotterdam zuid terecht gekomen is, doet een beroep op mijn improvisatie. De betreffende man zit in een politiewagen als wij komen. Zijn auto had hij voor het gemak maar op de trambaan (wel bij een halte) geparkeerd.  Deze man was niet geheel bij de tijd gezien de antwoorden die hij gaf. Maar binnen de zorgmogelijkheden van ons zorgstelsel zit blijkbaar niemand te wachten op een oude heer die alleen maar moppen verteld en niet weet waar hij woont en waar hij is. Zet me maar op de trein gaf hij aan. En je auto dan? Tja, dat zoek ik later wel uit. Maar er rijden geen treinen op dit tijdstip. Ach, dan wacht ik toch op het perron. Maar dat gaat mij te ver. Ik heb gevraagd in een ziekenhuis of dhr daar kon blijven wachten en een kop koffie (maar thee was beter) kon krijgen. Gelukkig zijn de mensen in het betreffende ziekenhuis zeker niet de moeilijkste en kon ik dhr daar achterlaten.
Iedereen heeft vrienden. Dikke vrienden, kennissen, bekenden. De mens is een sociaal wezen en wil nu eenmaal graag soortgenoten om zich heen. Maar mensen maken ook wel eens ruzie. Dat hoort er blijkbaar bij. De ene keer hard praten en schreeuwen, dan een stevige discussie. Vervelend wordt het pas als een van de 2 gewapend is. Mocht je dan een verschil van mening hebben, kun je dat wapen gebruiken met de nodige gevolgen. We worden naar een adres geroepen waar mensen blijkbaar verbaal niet uit de discussie kwamen. Als dan regel 2 in werking gaat trek je je wapen en 0,1 seconde later heeft je tegenstander een gaatje aan de voorkant van zijn been en een aan de achterkant. Als je daar een denkbeeldige lijn tussen zou trekken zou je een stuk bot tegen komen. Als wij bij mijnheer komen, is dat bot blijkbaar verplaatst. Hoe? Ik heb geen idee, met mijn ogen lukt het nog steeds niet om door mensen heen te kijken. Gezien de hoeveelheid bloed, besluit ik om snel te vertrekken. De stand van het been maak ik me zorgen over. Dit blijkt terecht. Hoe en wat kan ik hier niet vertellen, maar mijn verwachting is dat deze persoon voorlopig geen marathon gaat lopen. Op momenten als deze ben ik altijd erg blij met collega`s van de blauwe tak. Ik ben zeer zeker niet bang uitgevallen, maar een geel shirtje is wel een heel makkelijk doel voor een potentiële schutter.


dinsdag 19 december 2017

Oudjaars terugblik

December 2017. De laatste blog van dit jaar. Tijd om ook terug te kijken. Veel ervaringen liggen achter ons. Samen met mijn collega`s hebben we veel mooie dingen gezien. Maar misschien nog veel meer verdrietige dingen. Dingen die je soms persoonlijk erg kunnen raken. Die ene melding die je nooit zal vergeten. Iedere hulpverlener heeft wel 1 of meerdere van deze meldingen. Ondertussen stroomt het emmertje met ervaringsleed steeds voller. Lukt het om af en toe een beetje over te laten hevelen zodat hij niet gaat overstromen? Of gaat dat emmertje overlopen binnen mijn carrièretijd? En dan? Gelukkig zien we ook mooie dingen in dit vak! Ook ga je dingen vergeten. Soms schrijf ik wel eens een aantekening van een gebeurtenis. Als ik deze later lees, kan ik soms de details niet eens goed voor me halen. Maar goed ook denk ik. Ik wil geen sentimenteel verhaal ophangen, maar met alles wat je ziet, schieten soms wel eens dingen door je hoofd. Dan rijden we door de stad en is hier die plek waar dit gebeurd is en daar heb ik dat gedaan. Hoe zou het zijn met die mijnheer? En die andere dame die ik heb weggebracht naar het ziekenhuis? Hoe gaat het met die kinderen in dat gezin waar ik een `veilig thuis` melding van gemaakt heb? En die dame die thuis woonde maar eigenlijk in een verzorgingshuis thuis hoort? Als ambulancedienst ben je een kleine schakel in een groot systeem. Je ziet mensen maar even. Soms val je midden in het privéleven van een wildvreemd iemand. De meeste van deze mensen ben je een uur later al weer kwijt. Een enkeling kom je later nog wel eens tegen.
Ik begin mijn dienst op een morgen en word naar een adres gestuurd waar een dame is gevallen en niet meer overeind kan. Het is vroeg in de morgen. Om 6.30 ben ik begonnen met mijn dienst. Voor mij betekent dit midden in de nacht. Ik ben niet zo van de dagdiensten en al helemaal niet om die tijd. Maar goed, we gaan onderweg en komen in een huis waar een dame is gevallen. Ze is wakker geworden en wilde naar het toilet. Ongelukkigerwijs greep ze mis bij de deur en kwam ze ten val. Ze heeft enorm veel pijn in haar bovenbeen en kan deze niet meer bewegen. Van ons krijgt ze pijnstilling en gaat ze mee naar het ziekenhuis. De foto laat een lelijke breuk zien waar ze lang zoet mee zal zijn.
Een andere melding betreft op de begraafplaats. Een merkwaardige melding, omdat het eigenlijk nog te vroeg is voor een uitvaartdienst. Onderweg worden we bijgepraat. Er is iemand gevallen en kan niet meer lopen. We gaan ter plaatse en treffen een man aan zittend op een grafsteen. Hij wilde even langs het graf van zijn recent overleden vader. Het is koud en glad buiten. Op de plaats waar hij zijn overleden ouders bezoekt is hij gevallen en heeft pijn in zijn heup. Hij heeft zich van het pad weten te slepen en een buurman gebeld. Ook deze man krijgt pijnstilling en nemen we mee naar het ziekenhuis op verdenking van een breuk. Heb ik een leven gered? Nee zeker niet! Maar wel iemand kunnen helpen waarbij zelfzorg op dat moment te kort schiet. Voor mij maakt mijn werk leuk dat ik op alle plaatsen kom. Daarbij soms geholpen door andere disciplines.
Soms is comfort bieden genoeg. Als ik een dame moet overplaatsen van de huisarts naar het ziekenhuis zie ik bij binnenkomst een dame kronkelen op de onderzoekstafel. Pijnscore 10. De huisarts krijg ik niet te spreken, maar van de assistente krijg ik een briefje met overdracht en de mededeling dat pijnstilling al even geleden is gegeven. Daar is echter weinig van te merken. Aangezien het 20 minuten rijden is naar het ziekenhuis, besluit ik wat meer pijnstilling te geven. Ik zeg tegen de dame dat ze op de brancard moet gaan liggen en dat ik een infuus ga prikken waarbij ze meer pijnstilling krijg. Dit hoort de huisarts (die blijkbaar toch aanwezig was). Deze komst met grote stappen aanlopen en zegt tegen mij: ik hoor dat je fentanyl gaat geven? Dat is niet de bedoeling want ze moeten de buik beoordelen in het ziekenhuis en als ze geen pijn heeft kan dat niet. Een rare redenatie vind ik. Ik geef aan dat we een stuk moeten rijden en de vrouw verre van comfortabel is. De huisarts blijft bij zijn punt. Ik zeg tegen de dame die inmiddels op de brancard ligt dat we eerste naar de ambulance gaan en ik daar meer pijnstilling ga geven. Ik ga niet met iemand met zoveel pijn 20 minuten in de auto zitten. Dat is anno 2017 niet nodig. Als ze dan de buik niet kunnen onderzoeken, wachten ze in het ziekenhuis maar tot het is uitgewerkt. De overweging van de huisarts begrijp ik niet en wil ik ook niet begrijpen. Iemand die ligt te rollen van de pijn heeft absoluut recht op pijnstilling. Daar kan geen beoordeling tegen op. De dame in kwestie heeft de rit redelijk comfortabel kunnen maken. Ze is wel wat suf geworden van het spul, maar dat vind zij (en ik) minder erg dan zoveel pijn. En bij de overdracht in het ziekenhuis heb ik maar gezegd dat ze even geduld moeten hebben.
Gevallen mensen komen veel voor in het werk. Ook hier krijgen we weer een melding dat er een dame is gevallen en niet naar de deur kan. Ga maar even kijken wat er aan de hand is. Het is net na twaalven in de nacht van zondag op maandag. Ik denk het meest rustige moment van Rotterdam. Het is stil buiten. We moeten boven in een grote flat zijn. We bellen een paar keer aan op het betreffende nummer, maar de deur word niet geopend. Dan maar bij een buur bellen om de portiekdeur te openen. Al spoedig staan we op de galerij boven in de flat voor een donker huis. De deur zit dicht en lijkt goed op slot te zitten. Met een lamp schijn ik naar binnen tussen de lamellen door. Ik zie 2 benen en heel veel bloed. De benen bewegen gelukkig. Ik wil echter wel naar binnen, en liefst een beetje snel ook, maar zij kan zelf de deur niet openen. Ik vraag assistentie van de politie die een speciale sleutel heeft waarmee elke deur open kan. Het duurt even want deze deur geeft niet bepaald mee. Met veel gedreun en kabaal word de deur een stukje bij beetje open gemaakt. In de 2 tegenoverliggende flats gaan steeds meer lichten aan. Ook komen er steeds meer buren kijken wat er aan de hand is met die herrie. Als ik binnen kom lijkt het een slagveld. Mevrouw is aanspreekbaar en geeft aan een drankje gedaan te hebben. Ik vraag hoe laat dat was. Ooh zegt ze, ik ben vanmiddag om 2 uur naar een restaurant gegaan en daar was het gezellig. Daarna ben ik met de tram naar huis gegaan en nu lig ik hier. Het is nu 1 uur in de nacht. Een grote wond aan haar hoofd heeft er voor gezorgd dat de vloer in huis rood gekleurd is. We nemen haar mee naar het ziekenhuis. Daar blijkt ze diverse letsels te hebben. Onderweg verontschuldigd ze zich steeds dat wij voor haar moesten komen. Als ze kon lopen had ze zelf wel naar het ziekenhuis gegaan. Ik geef aan dat ik geen sorry wil horen en dat het maar goed is dat wij haar vervoeren. Ik raad haar af om in de spiegel te kijken op dit moment. De kapotte deur wordt gerepareerd en waarschijnlijk zit er al een nieuwe in voordat zij uit het ziekenhuis is ontslagen. Wat een contrast bedenk ik me. Hoeveel mensen bellen een ambulance voor het gemak. En deze dame, die zeker recht op een ambulance heeft, zit zich steeds te verontschuldigen.
De zorg verandert. De druk op de ambulancediensten wordt steeds groter. Het aantal ambulanceritten in Rotterdam gaat dit jaar over de 120.000 heen. Aan de andere kant zijn er veel te weinig ambulances beschikbaar door personeelsgebrek. Veel oorzaken worden gegeven. Heel creatieve oplossingen worden bedacht. Ik zie het echter als noodsprong. Een aantal dingen wil ik er wel uitlichten. Ten eerste bellen mensen veel laagdrempeliger een ambulance. Het is niet overdreven als wij een patiënt moeten ophalen die met zijn jas en tas klaar staat te wachten. En dan ook nog zonder rood te worden durft te zeggen dat hij de bus of de taxi te duur vind. Een ambulance zit toch in het verzekeringspakket? En een taxi moet ik zelf betalen.  Iemand die gevallen is en een wondje aan zijn kin heeft. Daar bel je toch een ambulance voor? Dat de patiënt gewoon aanspreekbaar is en geen klachten heeft behalve een hechtwond aan zijn kin doet niet ter zake. Als je dan vertelt dat hij zelf naar de HAP kan is de vraag hoe hij er moet komen. Nou, heb je geen ouders. (jongeman was 18 jaar). Ja wel, maar die slapen. Nou dan moet je die maar even wakker bellen denk ik. Ik zal de HAP bellen dat je er aan komt. Ja, maar mijn moeder gaat dat niet fijn vinden. Tja, dat is een ander verhaal. Koop morgen maar een bloemetje voor haar.
Zorgverleners dekken zich ook steeds meer in. Hoe vaak word een ambulance besteld door een huisarts waarbij de ambulance indicatie volledig gemist word. Algehele malaise is vervelend. Maar als het een week aan de gang is, alle parameters goed zijn, de patiënt mobiel is, begrijp ik niet waarom iemand met een ambulance naar het ziekenhuis moet. Soms vraag ik er naar bij de patiënt. Tja ik wilde wel zelf, maar de dokter bood het zelf aan om een ambulance te sturen… Natuurlijk waarom ook niet. Mensen, neem je verantwoordelijkheid, een ambulancedienst is een acute dienst een geen taxibedrijf. Als je pijn in je buik heb, midden in de nacht, kun je gerust naar de huisarts. Ja maar die is op vakantie. Ten eerste werken we in Nederland al een jaar of 20 met een huisartsen post. Daarnaast heeft iedere huisarts een vervanger voor de tijden dat die er niet is. Ooh u neemt me niet mee naar het ziekenhuis? Nee, op dit moment zie ik daar geen rede voor.
Een grote toename van het aantal ritten is mijns inziens de fusie van diverse ziekenhuizen in de regio. Daarbij worden sommige SEH`s (deels) gesloten. Waar eerst 2 SEH`s waren in 2 ziekenhuizen. Zijn er nu 2 ziekenhuizen met 1 SEH. Het gevolg is dat er een groot aantal van de patiënten die beoordeeld zijn op  een SEH overgeplaatst moeten worden naar de andere locatie van het ziekenhuis. Kostenbesparing van het ziekenhuis, maar dat logistieke probleem leggen we gewoon bij de ambulancedienst. Als patiënten dan lang (lees: uren) moeten wachten omdat er geen ambulance beschikbaar zijn, is het omdat de ambulances te weinig capaciteit hebben. Ik denk dat het een afschuiving van een probleem is door ziekenhuizen naar ambulancediensten.
2017: veel gebeurd in de regio. Ook meldingen waar de betrokkenheid groot was of heel dichtbij kwam. Maar alles bij elkaar denk ik toch dat ik de mooiste job ter wereld heb. Ik ga met veel plezier naar mijn werk en heb een fijne groep collega`s. Samen maken we er ondanks alle onrust en drukte een mooie baan van. Een beetje onrust hoort ook bij dit werk. Iedereen die moet werken met de feestdagen, succes. Zelf ben ik aan zet in de nacht tijdens de jaarwisseling.
Ik wens iedereen goede feestdagen, een goede jaarwisseling en een gezond en veilig 2018 toe!


Henk

zaterdag 21 oktober 2017

Tijd heelt wonden

Mijn vorige blog stond in het teken van het ongeval van een collega waarbij ikzelf betrokken ben geweest. Veel stof gehad tot nadenken. Het heeft een litteken gevormd welke blijft. Deze melding zal ik nooit vergeten. Maar door alle drukte en andere dingen die je meemaakt ben je er niet meer dagelijks mee bezig. Het praten met collega`s en andere mensen, evenals alle reacties hebben geholpen alles een plekje te geven. Waarvoor enorm bedankt! Soms heb je met collega`s net even een wat langer gesprek over sommige situaties.
Als voorbeeld zat ik tijdens een dienst met een collega op de bank. Op een gegeven moment zei hij tegen mij: wat een bizar werk hebben wij eigenlijk. Dingen die voor andere mensen traumatisch zijn of op zijn minst grote impact hebben, lijken voor ons normaal te zijn. Bij een `gewone` reanimatie ben je anderhalf uur later vaak al weer met iets anders bezig. Dit wil niet zeggen dat situaties helemaal niets met ons doen. Echter komt het spreekwoord: `tijd heelt alle wonden` ook hier om de hoek. We zaten samen wat situaties op te noemen die we meegemaakt hebben. Ik betrapte me zelf er op, dat ik af en toe zei: Ooh ja, bizar, dat heb ik ook nog gehad inderdaad. Dan gaat het over situaties waarvan je denkt dat je ze nooit vergeet. Maar als je een jaar verder bent, je niet eens alle details weet te herinneren. Nu is het echt niet zo dat je op de ambulance alleen maar `erge` dingen meemaakt. Ik probeer me desondanks altijd in te leven in de situatie van de patiënt. Soms moet ik me daar bewust toe zetten. Als iemand een ongeval heeft met de auto, waarbij de schade alleen materieel is, moet je wel eens oppassen om niet te bagatelliseren. Voor het slachtoffer kan dit wel enorme impact hebben.
Waarom sommige situaties wel blijven hangen in het brein? Een casuïstiek met kinderen heeft vaak veel impact waardoor je er best wel even van slag van kan zijn. Vaak is de situatie er omheen bepalend waarom iets blijft hangen.
Ik rij met mijn collega door de regio als we een melding krijgen van een reanimatie. Al rijdend krijgen we meer informatie. Collega’s zijn al aanwezig dus je bent 2e auto. Het betreft een zelfdoding. Slachtoffer is 15 jaar. Shit (…) Wat is daar aan de hand? Ter plaatse komen we terecht op een zolder waar onze collega`s een reanimatie zijn gestart van een persoon van 15 jaar. De reanimatie gaat technisch gezien goed, waardoor we kunnen doen wat nodig is. Beetje bij beetje komt het verhaal naar boven wat er is gebeurd. Uit school gekomen, huiswerk gaan maken, tegen etenstijd door de vader aangetroffen op zijn kamer. Helaas heeft al onze inspanning niet het gewenste resultaat en is het slachtoffer overleden. We worden terug gehaald naar de post om even een kop koffie te drinken. Even een moment om alles op jezelf te laten inwerken. Tijdens de reanimatie ben je zo technisch bezig dat je jezelf afsluit voor emoties. Maar later spelen er vragen door mijn hoofd. Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Wat voor leven heeft deze tiener gehad? Wat is er allemaal gebeurd om tot deze daad te komen? Hoe wanhopig moet je zijn geweest om zo ver te komen? Zelfdoding komt veel voor. Maar zeker een tiener hoort daar helemaal niet mee bezig te zijn. Een voorbeeld van een situatie die je niet vergeet maar wel slijt door de tijd. Ik ben niet dagelijks met deze dingen bezig, anders zou ik dit werk niet kunnen doen. Ik heb mooi werk, leuk werk en het vooral erg naar mijn zin. Maar hoe bizar zijn sommige situaties.
Een ander voorbeeld die ik al weer bijna vergat. Ergens in de havens van Rotterdam zitten op een rustige avond 2 mensen te vissen. Het is weekend, dus een paar uurtjes ergens in de Botlek zitten op een doodlopende weg moet het ultieme gevoel van rust geven. De weg is doodlopend en stopt 20 meter voor het water met een rotonde. Deze 2 heren zitten rustig naar hun dobber te turen als een auto aan komt rijden. De auto heeft hoge snelheid en lijkt geen vaart te minderen. In de auto zit een bestuurder en zijn bijrijder. De auto klapt zonder te remmen op de stoeprand, vliegt door de lucht om een meter of 30 verder in de Maas te belanden. De vissers hebben het allemaal zien gebeuren en als ze van de eerste schrik zijn bekomen bellen ze 112. De auto verdwijnt al snel onder water met de inzittenden er in. De hulpverlening wordt groots opgezet en al snel krioelt het van brandweer, politie en ambulances. Ik begin net aan mijn dienst als ik er ook naar toe gestuurd word. Als ik ter plaatse kom, hebben de duikers van de brandweer het eerste slachtoffer bijna uit de auto. Op de wal staat alles klaar voor een reanimatie. Uiteindelijk worden beide slachtoffers uit de auto gehaald en beide gereanimeerd. Het ene slachtoffer leek nog baat te hebben bij de reanimatie maar uiteindelijk zijn ze beide overleden. Met je collega`s praat je even bij. Waarom rijdt een auto zonder te remmen het water in? Vragen die niet beantwoord worden. Maar wel een bepaald beeld geven.
Een andere melding van zelfdoding betreft een mijnheer op het station. Een man op hogere leeftijd die geraakt is door een langsstormende intercity. Getuigen hebben verklaard dat deze man vanuit het niets over het perron rende en tegen de zijkant van de trein gesprongen is. Wat is de reden dat hij tegen de trein sprong? Een halve seconde eerder en hij had voor de trein op de rails gelegen. Was dat zijn oorspronkelijke bedoeling? Een intercity die met 140km/h langs komt stormen. Deze man is er slecht aan toe. Hij word nog wel naar het ziekenhuis gebracht met hartslag en ademhaling. Maar de wonden aan zijn hoofd zijn weinig hoopgevend. Later blijkt dat deze man is overleden aan zijn verwondingen.
Enkele voorbeelden van situaties die heftig zijn. En waar je nog even over praat met collega`s. Echter, wanneer je een jaar verder ben, kun je deze situaties niet eens altijd meer voor de geest halen. Terugkomend op het gesprek met mijn collega. We maken inderdaad rare en heftige dingen mee. Zijn wij supermensen? Zeker niet! Zijn wij anders dan anderen? Ook dat niet. Ook wij hebben gewoon een thuissituatie met een partner, gezin of welke privé situaties dan ook. Thuis ben ik gewoon de vader van mijn drie kinderen. Sta ik `s morgens op het schoolplein om mijn kinderen weg te brengen, diezelfde middag sta ik bij iemand in de woonkamer, slaapkamer op kantoor of waar dan ook. Dat maakt het werk zo mooi. De afwisseling. De ene keer fysiek heel druk bezig. De andere keer een luisterend oor. Een zeker zo belangrijk aspect van het vak. Ik voel me geen held, ik wil ook helemaal niet de held uithangen. Ik krijg ook gewoon betaald voor mijn werk wat ik zelf heb gekozen. En wees eerlijk: als je op de ambulance zit, hou je ook van een dosis sensatie. Om de humor niet te vergeten. We hebben ontzettend veel lol met elkaar en soms ook met de patiënt. Ooit heb ik in het ziekenhuis een lezing gevolgd met als thema: humor als verpleegkundige interventie. Ik ben voor! Het breekt de spanning. Natuurlijk moet de situatie zich daarvoor lenen, maar dat voel je snel genoeg aan.

Soms ie het ook gewoon fijn om een slachtoffer in je ambulance te kunnen nakijken met gesloten deuren. Zonder (nieuwsgierig) publiek, zonder camera`s en zonder de beste adviezen. Ik heb bewondering voor mijn collega`s op de zorgambulance. Ze komen (bijna) niet bij reanimaties, ze komen niet bij ongevallen. Maar ze zijn wel een luisterend oor voor al die mensen die ze moeten vervoeren. Al die patiënten die hun verhaal kwijt moeten na het bezoek aan de dokter, na de bestraling of na een andere behandeling. Meestal in het teken van een ziekte of thuissituatie. Ja, dat is heftiger dan een gebroken onderbeen of een pols… 

woensdag 20 september 2017

Dit wil ik niet......

Als hulpverlener voel ik mezelf wel eens onschendbaar. Onzin natuurlijk. Dagelijks kom je in aanraking met leed en verdriet van andere mensen waarvan je hoopt het zelf nooit mee te hoeven maken. Ergens denk je ook dat dit niet gaat gebeuren. Je bent tenslotte hulpverlener, en sta dus aan de andere kant van de lijn. Veel mensen hebben bewondering voor je als hulpverlener. `Dat je het kunt, al dat verdriet en ellende`, `Nou ik heb bewondering voor je hoor`, enz. Het streelt zelfs je ego. Je bent trots op je vak. Je komt in de meest uiteenlopende situaties terecht. Je kunt het soort melding niet kiezen. Alles maak je mee. Oud en jong, geboorte en overlijden, bij mensen thuis en op andere plaatsen, je handelt naar kunnen. Dat je niet iedereen kunt helpen realiseer je ook. Dat hoort nu eenmaal bij dit vak. Je heb ook bewust gekozen voor dit mooie vak. Je vind dat je het mooiste vak van de wereld heb. Als mensen aan je vragen hoe je jezelf staande kunt houden in alle situaties is voor mij het antwoord dat er een bepaalde afstand is tussen de slachtoffers en mezelf. Ik ken familie niet waardoor het makkelijker is om een afstand te bewaren. Dit is een stukje zelfbescherming van mij als hulpverlener. Ik ben eens bij een reanimatie/overlijden geweest van een jonge man. De situatie was heftig omdat het om zelfdoding ging. Wat mij aan deze situatie is bijgebleven is niet de man zelf. Ook niet de situatie waarin wij hem aantroffen. Maar wel een foto op de piano in de woonkamer van een meisje van een jaar of 6. Of de tekening aan de muur met daarop de woorden: Voor mijn lieve papa…… Dan krijg ik wel eens kippenvel. Dan blijkt dat onschendbare harnas hier en daar toch niet helemaal goed te sluiten. Dan komen er emoties los. Door de tijd heen gaat dit slijten. Vergeten doe ik het nooit.
Ik werk in de regio waar ik woon. Altijd roep ik dat ik in de buur-regio niet wil werken. Daar woont tenslotte het grootste gedeelte van mijn familie, en het lijkt me verschrikkelijk om hulp te moeten verlenen in je eigen familie/kennissen kring. Nee, doe dan maar lekker de grote stad. In de regio waar 1,2 miljoen mensen wonen. Dan is de kans op bekenden wel heel erg klein. Eigen bescherming, de afstand creëren waar ik mee begon.
Het reageren op een melding is ook een stukje zelfbescherming. Je geeft de patiënt de zorg die hij nodig heeft. Ongeacht geslacht, etniciteit, geloof of leeftijd. Tegen je collega maak je wel eens een opmerking. Nou dat zal wel weer dit of het zal wel weer dat, om vervolgens weer in de professionele modus te gaan op het moment dat je werkelijk ter plaatse ben. Want wees eerlijk, hoe vaak denk ik niet: nou, moest hier nu perse een ambulance voor komen?
Hebben hulpverleners emoties? Zeker hebben ze die. Sommige situaties blijven hangen. Er is via het bedrijf een opvangteam voor een hulpverlener wanneer deze in een moeilijk situatie is geweest. Dit voelt goed. Ook een stabiel thuisfront is heel belangrijk. Praten met je partner. Maar ook met collega’s. Ook de stoere mensen van de ambulance huilen wel eens. Soms van buiten, vaker van binnen.
Er zijn situaties waar niemand op zit te wachten. Vaak betreft dit ernstige meldingen van kleine kinderen of van bekenden. Je denkt vooraf: hoe zou ik reageren als… Maar eigenlijk hoop je het niet mee te maken. Je duwt het weg, want je wilt er niet aan denken. Totdat je er opeens mee geconfronteerd wordt.
Een dagdienst op woensdag. We zijn net aan onze dienst begonnen en zitten aan de koffie. Het is nog half donker buiten. Bovendien is het slecht weer en regent het hard. We worden opgeroepen voor een melding waarbij een fietser en een scooter zijn betrokken. Een melding als vele anderen. Ik zeg nog tegen mijn collega: ja hoor, het regent en we kunnen weer buiten aan de klus. Zal wel weer een zere enkel zijn. Nou, opladen en wegbrengen dan maar. Onderweg krijgen we te horen dat het wel ernstig is. Het MMT is op voorhand meegestuurd. De melder (een arts) heeft kenbaar gemaakt dat het wel zeer ernstig is. We komen ongeveer gelijk aan met de 2e ambulance. Het ene slachtoffer (van de scooter) zit in de politieauto. Maar een politieagent roept ons dat de ander er ernstiger aan toe is. We starten een hulpverlening op. De eerste aanblik is een man die op de grond ligt en niet reageert. Dat is al een slecht teken. Dit is hard gegaan. Met z’n allen onderzoeken we de man en doen ons best om hem te stabiliseren en zo snel mogelijk in een ziekenhuis te krijgen. M’n collega chauffeur vraagt of ik een spoedtransport wil. (Begeleid door politie). Normaal overweeg ik een aantal dingen voor ik antwoord. (Tijdstip, afstand etc etc). Maar nu is het direct: JA! Dan dat ene moment. Iets uit zijn rugtas is op de grond gevallen. Er staat een naam op. Mijn collega raapt het op en leest z’n naam. Jongens, het is Richard. Dat ene moment, we kijken elkaar aan. Kijken nog eens goed naar het gezicht van ons slachtoffer en komen dan ineens tot het besef dat we onze eigen collega onder onze handen hebben. Even krijg ik het heel koud. Maar de adrenaline giert door mijn lichaam. Die neemt het even over en vanuit de methodieken en ondersteund door de adrenaline gaan we verder. De hulpverlening wordt wel heel anders. De geweldige medewerking van de politie die gelijk oppert om zijn vrouw op te vangen. Zijn vrouw die we allemaal kennen omdat ze op een spoedeisende hulp in de regio werkt. Is ze thuis? Is ze aan het werk? Het MMT komt ter plaatse. Ook collega’s die Richard kennen. De hulpverlening gaat verder. Op adrenaline. Je hoopt. Waarop? De eerste aanblik was al weinig hoopgevend. Dat verbetert niet gedurende de hulpverlening. De samenwerking gaat gelukkig goed. Ook de opvang in het ziekenhuis. Daar dragen we hem over aan het team wat ons opwacht. Weinig moedgevende termen vangen we op. Wat een goed gevoel om dan ineens een teamleider te zien staan. Alleen de aanwezigheid voelt al goed. Normaal gesproken ontmoet ik geen familie in het ziekenhuis als ik die ter plaatse ook niet gezien heb. Maar dit is anders. In deze 'casus’ is alles anders. Z’n vrouw is aangekomen. Door de politie opgehaald. Allebei de kinderen zijn erbij. We praten met elkaar en onze teamleiders. We drinken nog een koffie. Wat later zie ik een bed langskomen met daarachter z’n vrouw en de 2 kinderen. Op snelheid naar de OK. Dit beeld raakt me. Dit beeld blijft hangen. Later ga ik de familiekamer even in. Wat moet ik zeggen. We kijken elkaar aan en weten hoe somber het ervoor staat. Er word niet veel gezegd. Maar de enkele opmerking die er gemaakt wordt door een van de kinderen hoor ik nu nog. We gaan terug naar onze basispost. Daar moeten we onze auto schoonmaken en aanvullen. Er word niet veel gezegd onderweg. Een hoofd vol gedachten. Als we aankomen staan enkele collega’s van het bedrijfsopvangteam ons op te wachten. Eerst gaan we bijvullen en schoonmaken. Ik dweil de vloer van de ambulance. Het gebeurt wel vaker dat er wat bloed op de grond of op je spullen zit. Maar nu is het anders. Het is van een bekende. Dit wil ik niet. Het moet. Later gaan we met alle betrokkenen in gesprek. Ik zie er tegen op. De situatie is nog niet eens geland. Ik bevind me in een trance. Ik hoor mezelf praten terwijl alles nog niet eens is doorgedrongen. Als er na afloop aan mij gevraagd word wat ik de rest van de dag wil, zeg ik nog: ik meld me zo weer in en ga weer verder. Na een kop koffie maak ik contact met de meldkamer om me weer beschikbaar te melden. Het antwoord van de centralist is echter: we hebben je er al afgehaald en je gaat maar naar huis. OK, tja dan ga ik maar. Thuis gekomen belt mijn teamleider dat het heel slecht gaat. Op dat moment komt alles binnen. Wat heb ik vanmorgen gedaan? Waar ben ik mee bezig geweest. `s Avonds belt mijn teamleider nog een keer dat het waarschijnlijk naar een overlijden toe gaat. Dan stort alles in. Ik moet weg. Mijn hoofd staat bol. Ik begin me te realiseren wat er is gebeurd en wat nu de situatie is. Ik vlucht naar de sportschool. Alles wegsporten. De andere dag ga ik werken. Ik zie er tegen op. Iedereen die wat wil weten. Logisch, maar iedere keer weer je verhaal doen. Mijn collega stelt voor om te vragen of er een buitenrit is. Er blijkt nog een patiënt naar Vlissingen te moeten. Deze gaan wij doen. Onderweg praat ik, vallen er stiltes en hebben we het over andere dingen. Het voelt goed. Op het gemak rijden we heen en weer naar Vlissingen. Aan de ene kant merk je dat dingen door gaan, aan de andere kant speelt er maar 1 ding door mijn hoofd. Op de post terug heerst een bedrukte stemming. Ik moet wel zeggen dat de samenhorigheid en verbroedering goed voelt. We zijn 1 familie. Donderdagavond word ik gebeld dat hij is overleden. Dit had ik verwacht, maar toch komt het nog hard aan. Het is nu definitief. De dag erna ga ik de nachtdienst in. Overdag ben ik alleen thuis met mijn jongste dochter. Heel de dag alleen. Veel collega’s die berichten sturen, bellen of op welke manier ook sterkte wensen. Dit geeft een heel warm gevoel. Ook heb ik contact met andere collega’s die ter plaatse geweest zijn. Mijn gemoed word steeds zwaarder. Ineens lopen tranen over mijn wangen. Als mijn vrouw uit haar werk komt, voel ik me enorm depressief. Aan het einde van de avond ga ik werken. Aan de ene kant kan ik niet wachten om even met collega’s te zijn. Aan de andere kant zie ik er tegen op. Op de post is een gedenkhoek ingericht. Een foto, een kaars, een bloem en een boek. Ik loop er naar toe. Blijf staan. Pen in mijn hand. Ik weet niet wat ik moet schrijven. Ik leg de pen weer neer. Ik kan het niet. Nu niet. De dienst gaat goed. Lekker druk, deze keer fijn om mijn gedachten te verzetten. Pittige dingen in de diensten, maar het valt me mee om te werken. Thuis slaap ik redelijk. Mijn vrouw staat als een steun naast me. Ik heb heel veel steun aan haar. Het voelt goed. Ze heeft begrip. Ik zie er tegen op om een patiënt in het Ikazia te brengen. Daar werkt zijn vrouw tenslotte. Waarom zie ik daar tegen op? Ik weet het niet. Maar met lood in mijn schoenen stap ik er naar binnen. Het valt mee. Medeleven doet goed. Zondagavond sta ik weer op de post voor de gedenktafel. Weer blader ik door het boek. Uiteindelijk heb ik wat op kunnen schrijven. Het stormt in mijn hoofd. Zoals ik al eerder zei is deze `casus` nog wel 40 keer voorbij gekomen. Sommige details raak ik niet kwijt. Vragen, heel veel vragen spelen door mijn hoofd. Hoe komt het dat ik hem niet heb herkend? Hoe heeft dit kunnen gebeuren? Ik bedenk dat het misschien wel goed is dat we hem niet direct hebben herkend. Nu zijn we `blanco` een hulpverlening gestart en zat ik al vol met adrenaline toen we er achter kwamen. Had ik dit gekund als ik geweten had dat hij daar lag? Voor de uitkomst maakt het geen verschil. Deze en nog meer zaken spelen voortdurend door mijn hoofd. Maandag en dinsdag heb ik vrij. Het gaat goed al moet ik wel afleiding hebben. Het leven gaat door, dat merk ik aan dingen die gebeuren en die langs komen. Ik heb geen zin in reageren op dingen die ik zie op o.a. facebook. Hoe kunnen mensen zich bezig houden met sommige dingen terwijl dit is gebeurd? Rationeel gezien begrijp ik dat uiteraard wel, alleen staat mijn hoofd er niet naar. Woensdag ga ik werken. Een normale dagdienst. We beginnen met een overplaatsing. Daarna zitten we een poosje te posten. Ik heb een inwerkcollega bij me op de wagen. Dan krijgen we een melding van een steekpartij. Onderweg worden we voorzien van verdere informatie. Het blijkt te gaan om een man van een jaar of 55 die het leven niet meer ziet zitten en zichzelf heeft neergestoken. Ter plaatse blijkt hij een mes in zijn borst te hebben gestoken. Een groot keukenmes van 25cm geheel in zijn borst. Deze heeft hij er ook weer uit getrokken. Aan al het bloed te zien is hij al heel wat bloed kwijt. We maken er een scoop-en-run van. Hij is nog bij kennis. En deze man moet zo snel mogelijk naar een ziekenhuis. Onderweg vertelt hij dat hij heeft overwogen om in zijn lies te steken. Hij wilde het snelste en beste resultaat. Dus het was of zijn lies of zijn hart. Ik word misselijk… In het ziekenhuis staat adequate opvang klaar. Een foto wordt gemaakt. Wat blijkt? Niets geraakt. Niet zijn hart, niet zijn milt, niet zijn lever, niet zijn longen. Dit moet ik even op me in laten werken. We gaan terug naar de post. De auto moet worden schoongemaakt. Onderweg word ik boos. Heel erg boos. Vorige week stond ik ook een auto schoon te maken. Van iemand die nog midden in het leven stond. Die nog plannen had met zijn 2 kinderen. Onverwacht overleden na een ongeval. Nu heb ik iemand in de auto gehad die dood wil, een serieuze poging doet en vervolgens niets er aan over houd. Ik mag zo niet denken, van mezelf niet, vanuit mijn principe niet. Maar ik denk toch zo: Ga dan dood, als je zo graag wilt. Wat een tegenstrijdigheid. Ik beslis niet over leven en dood. Maar dit voelt wrang.
Morgen is het donderdag. De dag van de uitvaart van Richard. Ik zie er enorm tegen op. Ik slaap slecht. `s Morgens krijg ik weinig eten door mijn keel. Gelukkig heb ik met een aantal collega`s afgesproken. Vanaf de post word vervoer per bus georganiseerd. Maar dat zie ik niet zitten. In de brandweerkazerne ter plaatse worden we opgevangen. Het voelt goed om met zoveel collega`s te zijn en Richard een laatste eer te bewijzen. Opstellen in een erehaag. Dan het moment dat Richard aankomt en door zijn collega`s door de erehaag de kerk wordt binnengedragen. Ik krijg flashbacks. Ik zie een kist gedragen door collega`s met daarachter een vrouw met 2 kinderen. Een week terug: Ik zie een bed voortgeduwd door verpleegkundigen met daarachter een vrouw met 2 kinderen onderweg naar de operatiekamer. Hoop, hoe klein dan ook. Nu gaat het langzaam en eervol. Definitief. Dit is teveel. Wanneer we teruglopen naar de brandweerkazerne kan ik me niet inhouden. De emoties moeten er uit. Ik laat me even gaan. Vertroostende handen op mijn schouder. Een arm om mij heen. Het voelt allemaal goed! Het doet me goed. Begrip en medeleven. Ik sta hier niet alleen voor. Henk, je hebt het goed gedaan. Je heb je best gedaan. Hij had geen betere hulp kunnen krijgen. Als hij kansen had heeft hij die van jullie gekregen. Dat weet ik ook wel. Als er een hulpverlening is waarbij alles vlot en goed liep, dan is het deze. We hoeven ons niets te verwijten. Samen met mijn collega`s van de andere ambulance, van het MMT en van de politie hebben we topzorg verleend. Alleen heeft het allemaal niets uitgemaakt. We staan hier op de uitvaart van Richard. Tijdens de dienst komen er weer kippenvel momenten. Kinderen die vertellen over hun fantastische vader. Een partner die zelf nog een stukje uit de Bijbel leest. Moedig en sterk. Tussen alle, in rijen opgestelde collega`s door wordt Richard uitgedragen. Indrukwekkend om te zien. De stilte met zoveel mensen. De begrafenis is in besloten kring. Daarna is er nog gelegenheid tot condoleance. Ik wacht. Misschien wel het moeilijkste gedeelte van de dag. Het zien en spreken van Jacqueline. Als ik ze een hand geef kijken we elkaar aan. Wat moet ik zeggen? Er schiet maar een ding door mijn hoofd: Sorry Jacqueline, Ik had zo graag meer voor hem willen doen. Meer weet ik niet te zeggen. Een moeilijk moment, maar ben wel blij dat ik dit moment ook heb gehad.
Als ik thuis kom ben ik leeg. Deze dag heeft me ontzettend veel energie gekost. Ik voel me totaal op. Met mijn gezin zit ik aan tafel te eten. Daarna ga ik even sporten. Het leven gaat door. Twee collega`s die in deze week hun eerste kindje hebben gekregen. Leven en dood. Een schril contrast. Hoe vaak zeg ik niet dat ik alles mee maak op de ambulance. Oud en jong. Eigenlijk alles tussen leven en dood. Deze week is dat wel heel duidelijk naar voren gekomen.
Een stoer en mooi beroep. Ik ben er trots op ambulanceverpleegkundige te zijn. Nooit rekening gehouden met deze mogelijkheid. Natuurlijk zeg ik tegen mezelf dat dit kan. Maar ergens ga je er van uit dat dit niet gebeurt. Dit wilde ik ook niet meemaken. Maar ik had geen keus. Tussen alle gebeurtenissen zie ik ook wel mooie dingen. Het warme medeleven van collega`s. De saamhorigheid en verbroedering. Die arm om je heen van die ene collega. De knik van de andere collega. De appjes, telefoontjes, het heeft me heel goed gedaan. We zijn lid van een grote familie. Een familie waar heus wel eens beroering is, maar die nu allemaal om je heen staan.
Het zet ook je eigen leven in perspectief. Altijd knuffel ik mijn kinderen als ik ga werken. Maar nu net even iets langer. Het is niet meer zo vanzelfsprekend om thuis te komen. Richard ging ook gewoon naar huis na een nachtdienst. Wel vertrokken, maar nooit thuis gekomen….

Ga nooit weg zonder te groeten
Ga nooit heen zonder een zoen
Wie het noodlot zal ontmoeten
Kan het morgen niet meer doen
Loop nooit weg zonder te praten
Dat doet soms een hart zo’n pijn
Wat je ‘s morgens hebt verlaten
Kan er ’s avonds niet meer zijn


woensdag 23 augustus 2017

Het bevalt...

Ambulance 154, willen jullie gaan naar volgend adres? Het gaat om een bevalling. De dame in kwestie is 3 dagen voor de uitgerekende datum en stond op het punt om naar het ziekenhuis te gaan omdat ze vanwege een medische indicatie in het ziekenhuis moet bevallen. Ik stuur op voorhand een auto met een couveuse achter jullie aan. Verder weet ik niets dus: succes. Ik kijk mijn collega aan en zeg: we gaan het wel zien. Aangekomen op het adres komt er een man gehaast naar buiten rennen. Ja hier naar binnen, en naar de 2e etage. Het is al geboren. OK, duidelijke informatie. Benieuwd naar wat we gaan aantreffen, snellen we ons naar boven waar een jongen van een jaar of 13 ons opwacht. Ja kom maar, hier moet je zijn. Ik stap een kamer in die er uit ziet als of deze mensen midden in een verbouwing zitten. Maar dat later. Op bed ligt een dame met een dikke trui en jas aan. Onderlichaam is ontbloot. Ze lijkt opgelucht als wij binnen komen. Op haar borst zie ik een klein, naakt en nat hoopje mens liggen. Net geboren zo te zien. Het is nat, lijkt wel te ademen en gaat gelukkig huilen als ik het aanraak. De verbinding met moeder is nog volledig intact en de placenta is nog niet geboren. Als eerste dekken we het kindje toe en geven het een mutsje om erge afkoeling te voorkomen. Het kind ziet er qua kleur goed uit en omdat het is gaan huilen maak ik me voor nu even geen zorgen. Eerst maar even afnavelen. Ik vraag of de vader de navelstreng door wil knippen. Deze staat echter onzeker toe te kijken. Voor hem is het de eerste keer dat hij zoiets meemaakt. Zijn vrouw echter heeft nu haar derde bevalling. Nadat de klemmetjes zijn geplaatst knipt vader de navelstreng door. Ik laat het kindje verder op de borst liggen en kijk moeder even na. Ik probeer de situatie in te schatten. Ondertussen zoeken mijn collega's en ik tussen alle spullen naar een kraampakket en meer handige dingen. Maar verder als een paar rollen behang, potten verf, een ledikant die alleen uit de verpakking is gehaald komen we niet. We vragen of ze een verloskundige heeft. Die heeft ze niet meer, zegt ze, omdat het ziekenhuis de zorg heeft overgenomen ivm medische toestand van de baby. Maar u bent toch ooit bij de verloskundige begonnen? Ja dat wel. OK, dan gaan we die bellen. Ook al is het midden in de nacht. Ondanks dat alles goed was voelt het toch erg fijn als even later de verloskundige binnen komt. Tja, wees eerlijk, ze heeft daarin nu net ff wat meer expertise dan ik. Als de placenta even later is geboren gaan we met z'n allen op transport naar het ziekenhuis. Gezien de medische indicatie van een ziekenhuisbevalling moeten deze moeder en kind ook daar maar verder behandeld worden. Daarbij zijn het huis en kinderkamer verre van klaar. Ook al was de uitgerekende datum zo dichtbij, helemaal voorbereid waren deze mensen nog niet.
Bevallingen, het blijven mooie dingen van het vak. Ook al is het soms hartstikke spannend. Wees eerlijk, een geboorte meemaken is geweldig, ook al is het in deze situaties niet eens privé. Ook wel bijzonder als ergens anders de moeder de deur open doet met een kind in de arm wat net geboren is. Gelukkig kwam toen ook gelijk met ons de verloskundige aan zodat die de zorg op zich genomen heeft. Maar soms word je ook door de verloskundige bij een bevalling geroepen. Dat maakt het voor mij spannender, als de verloskundige een ambulance laat komen is er sprake van een of meerdere complicaties. Anders kan ze het zelf wel. Ook die ene keer dat we geroepen worden door de verloskundige. Moeizame bevalling, hartslag kindje gaat achteruit. Bereid je voor op een reanimatie. Slik... We komen binnen en worden snel bijgepraat door de verloskundige. Een die haar strepen al heeft verdiend. Gelukkig is de situatie gestabiliseerd. Maar ze vraagt ons toch ter plaatse te blijven. Midden in de woonkamer staat een groot opblaasbad. Gevuld met water. Het was de bedoeling dat de bevalling in bad zou plaats vinden. Maar omdat het allemaal lang duurt heeft de verloskundige besloten op de bank verder te gaan. Ik heb het een en ander eens bekeken, (nadat alles voor een eventuele spoed setting klaargelegd is) maar ik kan de charme van een bevalling in bad niet helemaal bevatten geloof ik. Ik zal details besparen maar ik kreeg sowieso medelijden met de kraamverzorgster. Dat hele bad moet ook nog leeg. En een slangetje vanaf de 3e etage over het balkon hangen zal door de buren niet gewaardeerd worden. Nadat de bevalling gelukkig goed is gegaan en de placenta is geboren, feliciteren we de ouders. We praten nog even na en besluiten weg te gaan. Opeens maakt mijn collega een sprint. Ik kijk verbaasd. Wat heeft die nu ineens? Rust is een van de belangrijkste ingrediënten voor het goed verlopen van een hulpverlening. En zeker in deze situatie is nu geen sprake van paniek of dat de rust verstoord moet worden. Maar opeens zie ik vanuit mijn ooghoek een kat wegrennen van de plaats waar mijn collega naar toe sprintte. Dat deze mensen katten hadden, had ik al gezien. Die beestjes liepen met enige regelmaat door de woonkamer waar mevrouw aan het bevallen was. Ik kijk mijn collega met een vragende blik aan. Dan wijst hij naar de grond. Daar ligt een zak met daarin de net geboren placenta. Nee, er stond geen 'whiskas' op de zak. Het waren ook geen muizen van een beschuit gevallen. De kat vliegt met grote haast naar een naastgelegen kamer. Tegen mijn collega zeg ik: nou doe niet zo kattig. Onderweg naar de post hebben we hier hard om gelachen.

woensdag 26 juli 2017

Spraakverwarring

Bent u op uw achterhoofd gevallen? Je zult denken: wat een rare vraag. Het behoeft enige uitleg. Normaal gesproken vraag je dit als je twijfelt of iemand wel goed snik is. Maar nu was er een duidelijke reden voor. We zijn onderweg naar een man die in de tuin gevallen is. Bij aankomst zit er een man op de grond voor de deur. Een theedoek verberg heel veel bloed in zijn gezicht. Dat zijn gezicht beschadigd is, is wel duidelijk. Maar dan vraag ik vanuit mijn onschuld: bent u ook op uw achterhoofd gevallen? Ik krijg een antwoord waar ik op dat moment niet op gerekend heb. Nee, natuurlijk niet, ik weet heus wel wat ik doe hoor. Ik mag dan oud zijn, maar ben nog helder genoeg. En dan vraag jij of ik op mijn achterhoofd gevallen ben? Je bent zelf niet goed snik. OK mijnheer, ik snap hem. Maar eerlijk gezegd bedoel ik dat niet. Ik zie bloed op uw gezicht en ik vraag me af of uw achterhoofd ook wonden heeft. Vandaar mijn vraag. Ooh sorry, zegt hij. Maar ik moet er best wel om lachen. Wat is er dan wel gebeurd? Ach weet je, ik was in de tuin aan het werk. Ik struikelde en viel voorover. Omdat ik me tegen wilde houden liep ik voorover maar ging steeds sneller. Uiteindelijk ben ik met mijn gezicht precies op de drempel van de deur terecht gekomen. Ik bekijk zijn gezicht en zie een erg lelijke scheur tussen neus en ogen. In combinatie met de bloedverdunners alle reden om de mijnheer mee te nemen. In het ziekenhuis lachen we samen nog even om de spraakverwarring.
Een andere keer begrijpt een mevrouw mij niet. (Toegegeven dat dit wel vaker voorkomt). Haar echtgenoot wordt door ons meegenomen naar het ziekenhuis. Mevrouw wil meerijden wat uiteraard oké is. We lopen met z'n allen richting de lift omdat we bovenin een flat staan. Met een beetje passen en meten passen we er precies in. Mevrouw stapt als laatste in en staat bij het bedieningspaneel.  Ik vraag aan mevrouw: heeft u gedrukt? Het is even stil en mevrouw kijkt mij raar aan. Dan volgt het antwoord: eehm, ja, vanmorgen hoezo? Het duurt een moment voor ik het begrijp. Maar dat moet ik toch even hard lachen. Ik zeg tegen de dame, sorry mevrouw, maar ik bedoelde of u op het knopje van de lift heeft gedrukt. Mevrouw word eerst rood, maar moet dan toch hard lachen. Ook dit heb ik nog even een keer herhaald nadat ik haar man had overgedragen op de SEH.
Lachen doen we genoeg op de ambulance. Leuke, merkwaardige, grappige en humoristische dingen komen we dagelijks tegen. Maar ook schrijnende gevallen.
Het is midden in de nacht als we gestuurd worden naar een adres. De buren hebben 112 gebeld omdat ze de (oude) buurvrouw horen gillen. Als wij ter plaatse komen is het stil. De politie is er ook. Die krijgt te horen dat de andere buren een sleutel hebben. Daar aangebeld komt er een slaperig hoofd van een vrouw naar buiten. Is het weer zo ver? Vraagt ze. (...) Hier is de sleutel. We gaan naar binnen en treffen een dame ver op leeftijd aan op het toilet die volledig overstuur is. Ze wil naar huis en naar haar man. Ze vraag of wij ze willen brengen. We leggen de dame eerst op bed en proberen een inschatting te maken van de situatie. Ik kom een dossier tegen van de thuiszorg. Daarin lees ik dat mevrouw erg dementerend is en vaak  gedesoriënteerd is plaats en tijd. Waarom woont deze dame nog alleen als ze in dit stadium is? Uiteindelijk wordt mevrouw rustig en valt ze in slaap. Ik maak een aantekening in haar zorgdossier over dit voorval. De rest van de nacht blijft het rustig. De volgende nacht heb ik weer dienst. Halverwege de nacht krijg ik een melding. Ik lees de melding en het adres en lijkt een kopie van de nacht ervoor. Weer gaan we ter plaatse. Zelfde adres, zelfde situatie, zelfde mevrouw. (Alleen nu een kribbige buurvrouw). Mevrouw word weer gerustgesteld en valt weer in slaap. De hele situatie zit me niet lekker. Ik kijk in het dossier of er iets met mijn verhaal is gedaan. Maar ik lees er niets van terug. Wel staat er dat mevrouw overdag opgehaald zou worden door een taxi voor de dagbesteding. Maar de chauffeur is weggereden omdat mevrouw de deur niet open deed (...). Ik moet hier iets mee bedenk ik. Van de politie hoor ik dat wij (ambulance en politie) deze maand al meerdere keren in de nacht en met dezelfde reden hier zijn geweest. Het is nu nacht, wat ga ik hier nu mee doen? Ik zie een contact telefoonnummer en besluit die te bellen. Maar na 4 pogingen heb ik nog steeds niemand aan telefoon. Dan maar het spoednummer van de thuiszorgorganisatie. Ik krijg te horen dat de medewerker niet over deze cliënt gaat. Maar toch zet ik door en geef aan dat er iets moet gebeuren hier. Dat mensen thuis wonen is mooi en kan ik alleen maar aanmoedigen. Maar als mensen mentaal zover achteruit zijn gegaan dat dit niet verantwoord is, moet er wel naar een oplossing worden gekeken. Ze maakt er een aantekening van en belooft haar collega op de hoogte te stellen. Dan bel ik ook maar naar de HAP. Via die lijn wordt er automatisch een bericht naar de eigen huisarts van de patiënt gestuurd. Ik hoop dat het effectief is geweest. Mooi dat mevrouw thuis woont, maar elke nacht geheel overstuur de weg kwijt zijn zodat allerlei hulpdiensten daar moeten komen, lijkt me niet de bedoeling. Schrijnend en triest, deze woorden komen in mij op als ik nog even terug denk aan deze mevrouw.